Binnenzichten op de dansgeschiedenis Lutz Förster, Jérôme Bel

Author: Kristin Rogghe

Een lange man in een driedelig pak stapt het podium op. Meteen valt zijn statige gestalte op, zijn karakterkop en zijn kaarsrechte rug. Eén en al présence! In een welluidend Engels met een licht Duits accent stelt hij zichzelf voor als Lutz Förster, al meer dan dertig jaar lang danser bij - onder andere - het Tanztheater Wuppertal van Pina Bausch. Het stuk is naar hem genoemd. En dat is een logische keuze van regisseur Jérôme Bel, want in deze solovoorstelling loodst Förster ons een uur lang doorheen zijn levensverhaal, of beter: het verhaal van zijn leven als danser.

In deze vertelling vol verhelderende anekdotes en persoonlijke getuigenissen over een belangrijke fase in de dansgeschiedenis waaraan Förster met lijf en leden heeft meegeschreven, kan de dans zelf natuurlijk niet ontbreken. Af en toe wordt de performer stil en laat hij zijn lichaam spreken. Ook dat vertelt herinneringen. Förster danst fragmenten uit voorstellingen die zijn persoonlijke leven en loopbaan hebben gemarkeerd, maar die evengoed ijkpunten vormen in de ontstaanshistorie van de moderne en hedendaagse dans. Want de choreografen met wie hij heeft samengewerkt zijn niet van de minsten: naast Pina Bausch verrijken ook de Limon Dance Company en Bob Wilson zijn curriculum. Grote namen zijn dat, en het is dan ook bijzonder verfrissend hen zo concreet en zo menselijk te horen optreden in Försters relaas. In zijn verhalen zijn het geen iconen maar personen, die hem als danser prikkelen, voor problemen stellen en uitdagen.

The Man I Love

Van Pina Bausch's vernieuwende werkwijze is bekend dat ze de leden van haar gezelschap niet enkel beschouwde als uitvoerders van haar choreografieën, maar hen een actieve inbreng toekende in het creatieproces. Luisterend naar Lutz Förster wordt dat algemene weetje een levendige realiteit. Zo vertelt hij dat Pina op een dag aan haar dansers vraagt om 'iets te doen waar ze goed in zijn'. Förster heeft op dat moment net geleerd het lied 'The Man I Love' te vertolken in gebarentaal, en die act zal het brengen tot één van de treffendste scènes uit de voorstelling Nelken (1982). In zijn woorden tot het publiek laat Förster verstaan dat hij dit leerde van een geliefde en dat de muziek voor hem verbonden is met een vriend van hen, die toen net overleden was. Wanneer vervolgens het lied start en Förster de bewuste scène vertolkt, strak rechtop staand met enkel zijn armen en handen die vliegensvlug en uiterst precies bewegen, komt dat des te intenser en ontroerender over.

Zulke intieme details kruiden de voorstelling her en der op een subtiele en goed gedoseerde manier. Hyperpersoonlijk wordt het nooit: wat louter tot de privé-sfeer behoort, wordt met rust gelaten. Lutz Förster schetst dus geen psychologisch portret of persoonlijkheidsanalyse van Lutz Förster, en ambieert dat ook helemaal niet. Wel kunnen we uitgebreid kennismaken met zijn podiumpersoonlijkheid - en die kennismaking is erg aangenaam. Op 56-jarige leeftijd heeft Förster nog niets van zijn charisma verloren, integendeel.

Het podium is volledig leeg en helder belicht: meer heeft de rasechte performer als Förster niet nodig om te schitteren. Soms speelt hij gebeurtenissen uit zijn verleden na en neemt hij niet alleen de rol van zichzelf, maar ook die van de mensen die er toen bij waren op zich. Het gaat hem bijzonder goed af: Förster vertelt en acteert dat het een lieve lust is. Hij praat al even elegant als hij danst. Hoe kan je niét smelten voor zoveel manifest spelplezier?

Op het eerste gezicht had deze solovoorstelling evengoed een lecture performance van Förster zelf kunnen zijn, waarin geen andere regisseur de hand heeft gehad. Maar een blik op het ruimere œuvre van Jérôme Bel, wiens naam in de credits prijkt als verantwoordelijke voor 'concept & regie', leert dat er meer achter zit. Lutz Förster kadert in een recente reeks van voorstellingen waarin Bel werkt met ervaren performers uit verschillende domeinen van het wijde dansspectrum. In 2004 greep hij een uitnodiging van de Opéra de Paris aan om een solo te creëren voor Véronique Doisneau, een 41-jarige balletdanseres uit het corps de ballet van de opera. Het eenvoudige recept van de combinatie tussen een sappig verteld carrière-overzicht en dansfragmenten uit die carrière, vinden we hier al in terug. Een jaar later staat Bel in Pichet Klunchun & myself zelf mee op de planken. In deze voorstelling ondervraagt hij Klunchun, een meester in traditionele Thaise dans, over diens dansvorm en vergelijkt hij met zijn eigen artistieke praktijk. Af en toe wordt er kort gedanst om de stellingen uit hun conversatie kracht bij te zetten of om elkaar iets te verduidelijken. De kracht van het stuk ligt in de ontwapenende openheid van beide performers, zich bewust van wederzijdse vooroordelen en clichés maar bereid om te luisteren naar wat de ander te vertellen heeft. In deze voorstelling zet Jérôme Bel ook zichzelf te kijk, met al zijn vooringenomenheid en de arrogante attitude waar hij bekend voor staat, maar die we hem in dit stuk graag vergeven omdat er zo'n groot respect voor de Thaise meester tegenover staat.

Nulgraad

Twee nieuwe voorstellingen worden dit jaar aan de reeks toegevoegd: Cédric Andrieux, met en over de gelijknamige danser die deel uitmaakte van de Merce Cunningham Dance Company en dus uit de eerste hand getuigenis kan afleggen van deze pioniersperiode in de Amerikaanse moderne dans, en Lutz Förster. In beide is Jérôme Bel zelf weliswaar onzichtbaar, maar toch kunnen we ons goed voorstellen dat het eenzelfde respectvolle nieuwsgierigheid is als we in hem konden zien wakkeren in Pichet Klunchun & myself, die de voedingsbodem vormt voor deze voorstellingen.

Jérôme Bel is zelf zes jaar lang danser geweest voor verschillende choreografen. Sinds 1994 werkt hij vooral als tegendraadse choreograaf, die in die hoedanigheid de grenzen aftast - en soms verlegt - van de hedendaagse dans. Zijn vroege werken zijn gemotiveerd door het verlangen om de nulgraad van de podiumkunsten op te zoeken en het kijkgedrag te reactiveren: in plaats van virtuoze dansers te laten opdraven en hun lichaam onmogelijke dingen te laten doen, kiest Bel voor minimalisme en conceptualisme. Concreet vertaalt zich dat in handelingen met banale gebruiksobjecten (Nom donné par l'auteur, 1994), niet-dansante bewegingen uitgevoerd door naakte lichamen (Jerôme Bel, 1995) of het aan- en uittrekken van T-shirts met opschriften, een hele voorstelling lang (Shirtology, 1997). Niet bepaald keuzes die het grote publiek behagen, maar het levert hem wel het label op van kritische avant-gardist, met een sterke aanhang binnen de hedendaagse danswereld tot gevolg.

Net die aanhang kijkt vreemd op van voorstellingen als Lutz Förster. Zo'n klassieke vorm en zoveel publieksvriendelijkheid, wat moet dat? Waar is de rebelse geest gebleven, waar zitten de angels? Men zou kunnen argumenteren dat er in Bels recente reeks rond performers wel degelijk een portie tegendraadsheid schuilt, alleen al in het uitgangspunt om de geschiedenis van de dans niet via de choreografen te benaderen, maar via de dansers - die doorgaans veeleer als vervangbaar worden beschouwd. In Véronique Doisneau kiest hij bovendien niet voor een van de prima ballerina's uit de Opéra de Paris, maar haalt hij een danseres ‘uit de marge', uit het anonieme corps de ballet, om een solo-voorstelling met en over haar te maken. De scepsis en lacherigheid waarmee Bels publiek, dat gewend is aan zijn radicale en hedendaagse experimenten, de balletdanseres onthaalt wanneer zij op haar spitzen het podium op trippelt, smelt weg naarmate de voorstelling vordert en het publiek nader met Doisneau kennismaakt. ‘Respect' lijkt ook hier weer een sleutelwoord in Bels regie. Ook zijn keuze om te werken met dansers op gevorderde leeftijd wijkt overigens eveneens af van de gangbare praktijken binnen de danswereld.

Hommage

Ondanks deze subtiele vormen van onconventionaliteit kunnen we er niet omheen dat Jérôme Bels recente reeks van voorstellingen de antipode lijkt van vroeger werk: zijn kritische ironie heeft plaatsgemaakt voor hommage, en tegenover het jonge en hippe sfeertje waarin de populaire voorstelling The Show Must Go On (2001) baadde, stelt hij nu het vakmanschap van wijze performers als Förster. Wat zou deze ommekeer kunnen verklaren? We hebben er het raden naar (want Bel zelf doet in interviews alsof er helemaal niets achter zit), maar misschien gaat het enkel om een (radicale) verandering van strategie vanuit een onderzoeksopzet dat fundamenteel hetzelfde blijft. Zijn praktijk als maker is er namelijk één van onderzoek naar het wezen van het podiumgebeuren, en in dat opzicht is het dan ook een slimme zet van hem om andere makers en performers met internationaal renommee, elk specialist in hun specifieke dansdomein, uit te nodigen om hun eigen praktijk, kennis en ervaringen onder woorden te brengen. Op die manier verwerft Bel een gepriviligeerde kijk op de evoluties en methodologieën binnen zijn branche.

Het mooie is natuurlijk dat hij die binnenzichten op de danswereld en -geschiedenis deelt met het grote publiek. Net in zijn keuze om zich als choreograaf/regisseur op de achtergrond te plaatsen en de volle aandacht te geven aan zijn performer, schuilt Jérôme Bels persoonlijke gedrevenheid en betrokkenheid bij een solovoorstelling als Lutz Förster. Heel anders is het overigens in Un spectateur (2009), waarin Bel zichzelf ensceneert en in het volle voetlicht plaatst om een uur vol te praten over de ervaringen die hem als kijker het sterkst hebben geïnspireerd. Met zijn uitgekiende maar nonchalant overkomende performance kan hij de zaal wel entertainen, maar alles welbeschouwd biedt de voorstelling niet veel meer dan een educatief egodocument.

Lutz Förster is daarentegen een heel genereuze voorstelling. Niet alleen omdat ze kadert in een reeks theatrale documentaires waarin de choreograaf het publiek een unieke en hartverwarmende inkijk in het veelvormige wezen van de dans schenkt, maar ook omdat de innemende performance en het verhaal van Lutz Förster doen beseffen dat mensen als hij ontzettend veel geven. Want uiteindelijk zijn het dansers en performers als Förster, Andrieux of Doisneau - mensen die hun leven in teken hebben gesteld van hun vak - die het vitale bloed vormen in de aders van de dansgeschiedenis, en die die vitaliteit overbrengen op het publiek, keer op keer. Een dansvoorstelling kan soms tientallen jaren op het repertoire van een gezelschap staan, maar de toeschouwer in de zaal verwacht bij iedere opvoering net zoveel energie van de performers alsof het de eerste keer is. Förster staat, op 56 jaar, inderdaad nog steeds met de frisheid en twinkeloogjes van een jonge knaap op het podium. En samen met Lutz Förster verklaart ook regisseur Jérôme Bel - de deconstructionistische verwachtingen van zijn fans van het eerste uur ten spijt - zestig minuten lang zijn liefde aan de dans.

Kristin Rogghe

share